Ina Hollander

Columnist

  • Geprikkeld

    Kopje koffie, krantje erbij en alle tijd om te lezen. Tel daarbij op de intense tevredenheid over hoe mijn leven gaat en het zonnetje dat de kamer in een prachtig licht zet. Ik voel me fantastisch.

    ‘Zorgmedewerkers verplichten tot griepprik.’ Ik verslik me, lees ik dit goed?
    Het stresshormoon cortisol jaagt in één keer de rust mijn lijf uit. Een gedwongen vaccinatie om een griepepidemie onder het personeel te voorkomen? Of om de onderbezetting een stukje verder onder het vloerkleed te kunnen schuiven?

    Nooit heb ik griep gehad. Natuurlijk, puur geluk, dat weet ik ook wel. Het lijkt totaal onbelangrijk. Als de werkgever eist dat zijn poppetjes op de werkvloer gevaccineerd moeten worden, gebeurt dat. Dat is het idee. Ik word er onpasselijk van. Bestaat het Blijf Van Mijn Lijf huis nog? Overdrijf ik? Welke regisseur heeft het recht te bepalen wat ik voel, denk en ervaar?

    Mijn vader haalde vrijwillig de griepprik, desondanks was hij de enige in het gezin die vanwege griep soms in bed belandde.
    Vette pech, maar gelukkig was hij geen slachtoffer van een dwangcultuur.
    Ik mopper zachtjes: kom maar op, mannetjes en vrouwtjes die mij moeten vastbinden voor die vermaledijde spuit. Ongetwijfeld zal ik ziek zijn, minstens twee weken.

    Lekker om een plan achter de hand te hebben, maar nu eerst paracetamol tegen de barstende koppijn.

    Snoeshaan

    In elk team zit er zeker één; de vreemde snoeshaan. Laat het bij mij op het werk nou ook precies de enige mannelijke collega zijn. Ongetwijfeld een absurd toeval.
    Terwijl wij, de vrouwen, het halfuurtje pauze gebruiken om te eten of om een boodschapje te doen, spoedt hij zich naar de kerk. Zijn brood onderweg verorberend.
    Daar, aan de zijkant van het godshuis, zo vertelde hij eens, beleeft hij wonderlijke openbaringen. Alleen voor hem zichtbaar. Dag in, dag uit. Behalve in het weekend.

    Zijn gedrag geeft onrust in het dorp.
    Voorbijgangers passeren met een ruime boog, hem heimelijk in de gaten houdend.
    Wat doet die man daar? Je ziet het ze denken.
    Hij heeft ruige beharing en vriendelijke ogen die af en toe spiedend om zich heen kijken. Verward lijkt hij, schuw, zo ver van de mensenmassa. Druk tikkend op zijn mobiel, gevolgd door een glimlach of nog harder getik.

    Het maakt hem lastig benaderbaar, want hoe zal hij reageren? Afstand houden voelt veiliger. Bij agressie is er geen directe hulp in de buurt.
    ‘Een potloodventer misschien,’ fluistert een vrouw me toe ‘zal ik de politie bellen?’
    De plek leent zich er inderdaad uitstekend voor.

    Dan ziet de man, mijn collega, mij en juicht: ‘Ik heb Beedrill te pakken!’
    Een ongevaarlijke, aardige gek; een Pokémonvanger.
    Ik steek mijn duim omhoog. Hij straalt.

    Weermaker

    Al maanden wijs ik mijn lief af als hij toenadering zoekt: ik heb het al heet genoeg.
    Ik zeur over koppijn, zweet en lamlendigheid en hunker naar een overzomering op IJsland. Mijn dagen breng ik door op de bank, in de schaduw en voor de ventilator.

    Tegen beter weten in kijk en luister ik alle dagen naar Peter, Piet, Gerrit, Willemijn, Marjon en Amara.
    ‘Zeg dat het gaat hozen en we de vestjes uit de kast kunnen pakken!’ spreek ik ze bezwerend toe. In hun reactie zie ik de geheime afspraak om de kijker volledig te negeren. Treiterend beloven de weergoden me nog meer verlammende hitte.
    Natuurlijk, de echte slachtoffers zijn de natuur en zij die het land bewerken. Verdorde inkomsten en kosten die groeien als ware het woestijngras. Maar kan ík daar wat aan doen?

    Als het de Belgen lukt om tijdens een WK-overwinning een lichte aardbeving te veroorzaken, moeten ‘wij’ toch in staat zijn een regenbui op gang te brengen?
    Ons watermanagement oogst immers wereldwijde faam. De aandacht verleggen van de dijken en het tegenhouden van water naar het oproepen ervan; klimaatverandering schreeuwt erom.
    Een massale regendans zou zo leuk zijn! Dampend zweet hoog de lucht in zien stijgen, waar het zich samenpakt tot een flinke stortbui.

    Mijn lief staat te trappelen om mee te doen. Voor de boeren uiteraard.

    Stankvastig

    ‘Stop er maar twee in elk neusgat,’ antwoord ik mijn oudste dochter als ze vraagt of ik een pepermuntje wil.
    We trekken een gekke bek. Een uur geleden waren we euforisch over deze plek bij de finish van de Nijmeegse Vierdaagse. Een stoepje om op te zitten, een hek om tegenaan te hangen, media-activiteiten in het zicht, opzwepende muziek achter ons en natuurlijk de duizenden passerende stoere wandelaars. Kortom, toplocatie.

    Totdat een moeder en twee dochters een plek naast ons innemen. Tassen en stoelen worden neergezet alsof het privéterrein is, waarna ze enthousiast zwaaien naar de eerste wandelaar die juist binnenkomt. De verdelgende geur van weken niet gewassen lijven en kleding met opgedroogd zweet komt ons tegemoet.

    Onwillekeurig schuiven we een stukje opzij.
    ‘Strategie,’ fluister ik mijn dochter toe ‘daar trappen we niet in,’ en ik verplaats me weer terug. Slim om een gore, maagomdraaiende, zuurstofdodende walm om je heen te creëren.
    ‘Moed houden,’ spreek ik mijn dochter toe.
    In hun comfortzone gaan de drie dames nu uitgebreid picknicken met broodjes Ze krijgen van de omstanders alle ruimte. Inmiddels doet onze deodorant wat de reclame belooft: door de dynamische werking staan wij in no-time klem tussen het opdringende publiek.

    ‘s Avonds laat ik mijn shirtje zorgvuldig drogen. De eerste zweetlaag zit erin. De komende Vierdaagse ben ik beter voorbereid.

    Manisch

    De steeds groener wordende bomen en struiken met openspringende knoppen zie ik nauwelijks. Mijn blik heeft zich haast obsessief vernauwd.
    Het begon in onze tuin die vorig jaar onze tuin nog niet was. Terwijl alle aandacht naar het huis ging, vertoonde het groen buiten gedrag dat alle perken te buiten ging. In alle vrijheid vonden en omhelsden jonge scheuten elkaar dat het een lieve lust was.

    Het was één grote vruchtbare orgie van voortplantingsdriften. En wij, sukkels, lieten het toe. Hadden het te druk met slopen en weer opbouwen.
    Opeens zag ik niet een beetje, maar kilometers klimop. Ik trok aan een stengel en rukte er meters verder de wortel van uit. De oorlog werd verklaard.

    Sindsdien loop ik trekkend en knippend met de snoeischaar rond. Ondertussen is mijn lief wreed een opkomende generatie groentjes, richting groene container aan het schoffelen. Partners in crime.

    Ter ontspanning gaan we een rondje wandelen. Nauwelijks zijn we op weg als ik een met klimop begroeid huis zie.
    Als iets slecht is voor de voegen! Ik voel een nauwelijks te bedwingen reddingsdrang. Mijn vingers maken onwillekeurig de bewegingen van een hardwerkend snoeimes. Snel loop ik door, maar zie de ene na de andere door klimop geannexeerde tuin, muur, boom of hek. De aandrang om te snoeien wordt ondraaglijk. Naar huis! Voor mijn green killer shot.

    Opgepast

    Ze zijn al weken vrolijk opgewonden. Iedereen die hen in die tijd gesproken heeft, weet het. Saar komt logeren. Met flesjes, luiers, rompertjes en alles wat nog meer past in de eerste rolkoffer van het zes maanden oude dochtertje van een nicht. De kinderwagen mocht beslist niet vergeten worden.

    ‘Ze’ gaan vierentwintig uur opa en oma spelen. Met het grootste plezier hebben ze er verlof voor opgenomen.
    Op verzoek brengen de ouders een hongerig kind, zodat het eerste flesje na aankomst direct gegeven kan worden. Vader en moeder kunnen niet snel genoeg ophoepelen: ‘Ga nu maar, wij gaan het uitstekend redden.’

    Saar moet nog een boertje geven. ‘Maak even een foto,’ zegt nepopa.
    Over de strontluier zijn ze vol bewondering: wat een productie! Hij laat het meisje het beertje op de boekenplank zien: ‘ Kijk, die is nog van mij geweest’.

    Trots lopen ze later om de beurt achter de kinderwagen door het dorp. Opa en oma met kleinkind, voor wie niet beter weet.
    ‘s Avonds kijken ze met een vertederde blik en de handen ineen naar het slapende kleine wurm. ‘ Goh, stel je eens voor…’
    Direct nadat Saar de volgende dag is opgehaald, bellen ze hun kinderen: die schattige baby was zo leuk!

    Een vogelpaar vliegt met takjes in de snavel voorbij het raam. De aspirant-grootouders nestelen zich tegen elkaar.

    Discriminatie

    De bel. Uiteraard rond etenstijd, natuurlijk hopende dat je overal heel snel mee instemt om er vanaf te zijn. Stelletje ratten.

    Dit keer een jongeman namens een energiebedrijf. Goedemiddag mevrouw K., mag ik u een paar vragen stellen? Ik wijs naar mijzelf ‘Ik ben Hollander.’

    Direct verandert de jongen van houding. Hij gaat rechter staan en wijst naar zichzelf: ‘Marokkaan.’ De opgewektheid is uit zijn stem verdwenen. Lachend wijs ik naar het bordje met twee namen naast de deur. ‘Prima, dat maakt mij niet uit,’ zeg ik, ‘maar ik heet Hollander. K. is mijn man.’
    De jongen bemerkt zijn vergissing.
    Hij spreidt zijn handen: ‘Sorry, sorry mevrouw, neemt u mij niet kwalijk. Dat wist ik niet. U maakt dit vast vaker mee?’

    Ik knik. ‘Ze worden wantrouwend of moeten grijnzen. Het zij zo,’ zeg ik.
    Ik denk aan de man in het buitenland die mij vanwege mijn achternaam geen fietsen wilde verhuren. Hij vreesde duidelijk oplichting. Op de naam van mijn man kregen we de karretjes wel mee.

    De jongen ontpopt zich als een leuke knul, duidelijk opgelucht dat ik ‘m niet weggebonjourd heb. Het blijkt dat ik onlangs hetzelfde energiebedrijf heb gekozen als hij zijn ouders heeft aangeraden. Niet het bedrijf waar hij voor langs de deuren loopt.

    We lachen samenzweerderig over ons gezamenlijk mikpunt. Dat heeft écht onze kleur niet.

    Prioriteit

    Bij binnenkomst zie ik direct dat de collega druk doende is met een verslag. Een belangrijk verslag zelfs, weet ik door het programma waarin ze werkt. Dus alleen storen als het niet anders kan.

    ‘Je moet me helpen!
    Of het even wachten kan, probeert ze nog.
    Ik schud heftig mijn hoofd, de schaamte heeft me in zijn greep. Als ik het nu niet meteen oplos durf ik geen mens meer onder ogen te komen.
    ‘Noodsituatie. Heb je ducttape?’

    ‘Jazeker. Wat is er aan de hand?’ Ik heb nu haar volledige aandacht. Zij is het soort collega dat mijn gênante probleem begrijpt.
    ‘Nou het zit zo,’ ik buig me dichter naar haar toe, ‘door de verhuisdrukte verwaarloosde ik mijzelf, en zojuist pas zag ik in de spiegel dat er een blonde bos haar op mijn bovenlip is gegroeid. Dit is crisis! Ik moet harsen!’

    Collega smult van mijn persoonlijke drama: ‘Je hebt de juiste specialist gevonden’ en haast zich om de tape te pakken.
    Cliënten ruiken vermaak en verzamelen zich om ons heen.

    Ik krimp in elkaar als de ducttape, huid en haar verslindend van mijn huid wordt gerukt. De tranen springen in mijn ogen, maar het is gelukt! Cliënten applaudisseren. Ik buig en bedank. Met herwonnen zelfvertrouwen en brandende bovenlip verlaat ik het lokaal. Nu op zoek naar verzachtende crème.

    Efficiëntie

    Honderden vierkante meters bouwmarkt strekken zich voor ons uit. Ergens in die ruimte moet een nieuwe deurbel liggen. Ik kijk naar de hoog hangende grote borden “alles voor uw tuin”, “alles voor uw badkamer”, “alles voor…”

    Dit wordt niks. ‘Ik ga het even vragen,’ zeg ik tegen manlief die licht wrevelig reageert en gewoon doorloopt, het hoofdpad op.
    Mijn schouders ophalen en achter hem aansjokken doe ik dit keer niet. Ik sla rechtsaf naar de infobalie en vraag naar de bekende weg. ‘Ik loop wel met u mee,’ antwoordt de vriendelijke medewerker. Terwijl ik achter de jongeman aanloop speur ik om me heen, mijn eigen handyman is in geen kluspad te bekennen.

    Het rek met deurbellen is verrassend dichtbij. Geroutineerd begint de medewerker de waar aan te prijzen.
    ‘Een ogenblik, ik moet mijn man zoeken, die is van het “ik-doe-het-zelf-vinden”.’ De mondhoeken van de man krullen subtiel omhoog.
    ‘ Aha, volgens mij bent u zelf ook zo’n man die liever drie keer de winkel rondloopt dan hulp te vragen.’
    Hij lacht en geeft toe.
    ‘Een omroepbericht doen?’ grijnst hij.

    Ik vind mijn klusser achterin, zoekend bij de deuren, dat leek hem logisch.
    Terug op de juiste plek is de bel gauw gekocht. Lief knipoogt: ‘Ergens koffiedrinken? We hebben nu tijd over.’
    Volgende keer gaat het precies zo. Het is mijn lot.

    Kroelen

    Wanneer koffietijd, zijn werkdag en de mijne samenvallen kan ik er de klok op gelijk zetten. Groot, breed en gekleed in een stoere broek en dito trui, verschijnt hij in de deuropening. ‘Ben ik welkom?’ Zijn schouders afhangend, ogen schuin glurend door zijn halflange haar.
    Ik klop op de stoel naast mij.

    ‘Ik heb mijn haar gisteravond gewassen’. Terwijl hij dit zegt ploft hij neer, zet zijn voeten wijd uit elkaar en laat zijn onderarmen op zijn bovenbenen steunen.

    Ik had het al gezien. Mijn hand reikt naar zijn hoofd dat hij zo dicht mogelijk naast mij naar beneden laat hangen. Mijn vingers beweeg ik door zijn haar, zacht masseer ik zijn schedel. Door de haarlokken heen zie ik een glimlach op zijn gezicht verschijnen. De ogen gesloten.
    De lieve macho cliënt met een lichte beperking vindt het leven vaak niet makkelijk. Waar hij kan scharrelt hij de warmte waar hij naar snakt bij elkaar.

    Toen zijn haar eens ongewassen en vet was, weigerde ik. De teleurstelling was groot, de uitleg begreep hij. Zijn persoonlijke hygiëne vaarde er fris bij. Onverschilligheid en braniegedrag slinken zienderogen. Hij wordt weer die kleine jongen die het liefst al duimend tegen z’n moeder aanligt en naar een verhaaltje luistert.
    Maar noem het geen kroelen. Kom op hè! Ik ben zijn hoofdmasseur. Hij is niet gek.

    Pagina 1 of 3

    Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén