Ineens valt het mij op, omdat er slechts twee broden in de lade kunnen waar er normaal drie passen. Dikke lagen ijs, op de producten in de laden zelfs sneeuw.
Ik kijk de kou in, het ziet er eigenlijk prachtig uit, ruig, guur en grillig. Het roept Amerikaanse tv-beelden op van de afgelopen winter. Mensen werd geadviseerd alleen voor het hoognodige naar buiten te gaan.
‘Morgen ga ik de vriezer ontdooien,’ zeg ik tegen lief.
‘Niet vergeten eerst de knop op nul te zetten,’ begint hij. Ik kijk hem stomverbaasd aan. Hij is serieus.
‘En misschien handig om de stekker uit het stopcontact te halen.’
‘Dankjewel, dat zou ik echt niet geweten hebben,’ spot ik. Alsof ik voor het eerst een vriezer ontdooi.

Voortvarend wrik ik de volgende middag met enige moeite de bakken uit de ijsmassa los. Nu de knop op nul. Het boekje geeft duidelijk aan waar die zit. Ik draai linksom, het lampje blijft branden. Rechtsom dan, weer gebeurt er niks. Voor de zekerheid herhaal ik het zo’n twintig keer. Een zinloze actie.
Ik duik naar de grond en zie door het rooster in de plint de stekker. Alleen, ik kan er niet bij. De haaks erop staande mooie plint moet dan eerst verwijderd worden, maar die is vastgelijmd.
Chagrijnig ram ik op de telefoontoetsen en app lief dat hij door omstandigheden op een koele thuiskomst moet rekenen. ‘Superman komt eraan’ bericht hij terug.

Eenmaal thuis draait hij in een keer het lichtje uit en kijkt me grijnzend aan. ‘Gewoon door de weerstand heen duwen’. Een flater van formaat. Ik vlij me tegen hem aan, even de aandacht verleggen.
Hij smelt. Hij wel.