‘Hoe moet dat nou?’ vraag ik, terwijl ik huiverend een kingsize trui van manlief aantrek en de mouwen over mijn handen schuif.
‘Stel je je niet een beetje aan?’ reageert hij.
‘Kun je alsjeblieft kijken of er meer is?’ hoor ik mijzelf bijna smeken.
‘En doe de deur achter je dicht!’ roep ik als hij de kleine ruimte verlaat.

Rillend kruip ik dichter naar de afgekoelde warmtebron toe. Het ziet er vast idioot, treurig en meelijwekkend uit. Onwillekeurig haal ik mijn schouders op. Een kleumend mens moet wat in de strijd tegen dooie vingers en kippenvel. Het hout voor de open haard was te nat en bood geen soelaas.

Waar blijft hij nou? Ongeduldig kijk ik naar mijn metalen redder die wacht op brandstof.

De deur zwaait open en lief stapt naar binnen met drie manden op elkaar in zijn armen. ‘Het duurde even, maar dan heb je ook wat,’ hijgt hij, en met een klap zet hij de stapel op de grond neer. ‘Zeiknat,’ roept hij triomfantelijk, ‘de buren wilden graag helpen!’
Opgelucht spring ik overeind, ruk het deurtje van de droger open, gooi de natte was erin en druk op de startknop.

Terwijl ik het apparaat omarm, voel ik de eerste weldadige warmte naar mijn verkilde botten gaan. Nog één dag te gaan. Morgen wordt de kachel gemaakt.