Met tegenzin wurm ik mij onder het heerlijk warme dekbed uit. Brr, koud. Automatisch trekken mijn blote schouders zich terug in het warme hol. Eventjes maar, langer kan deze morgen niet. Een korte douche en geen tijd voor de krant bij het ontbijt. Ik kijk op de klok, nog anderhalf uur te gaan.

Eerst de gewone rotzooi op het aanrecht: vieze vaat, afval en een aangekoekt tosti-ijzer. Gatver, niet nu. Zelf gebruik ik dat apparaat nooit. Hup, uit het zicht een keukenkastje in. Doekje over het aanrecht en schoon is het weer. Voor hoe lang? Zinloze gedachte. Opgedroogde waterspatten haal ik met Glassex van de ramen. Dat moet ik vaker doen, stukken makkelijker dan alles lappen.
Rondzwervende tijdschriften leg ik op een stapel en boeken zet ik in de kast. Dat toont al heel anders.

Ik probeer door andermans ogen te kijken en zie de stoflaag op de televisie, de kruimels op de grond, vingerafdrukken op de deuren en een spinnenweb in een hoek. Zuchtend pak ik een doekje, dweiltje en stofzuiger.
Nu alleen de wc nog, ook zo’n gebed zonder end in dit huishouden.

Voldaan kijk ik rond, het huis kreunt zachtjes mee van genot, eindelijk heeft het weer een goede beurt gehad.
De bel. ‘Wat een gezellig, ruim huis! En zo schoon.’
Visite, de motor achter mijn huishouden.