Als slimme backpackers maken we een valse start door ons met de rugzakken naar het station te laten rijden, zoonlief doet het graag. Het vertrek wordt nog aangenamer als lieve vrienden ons komen uitzwaaien. Ontroerend leuk! Blij stappen we in de trein naar Amsterdam en beloven zeker terug te komen.
In Amsterdam benutten we het uur wachttijd goed. We wandelen door de winkeltunnels op het station, zo mooi als die zijn geworden, en drinken koffie in het Grand cafe op perron 2b. Een uur is dan niks.

De city Night Line komt mooi op tijd binnen, onze wagon met slaapplaatsen bevindt zich helemaal voorin. Onze suite is, pak ‘m beet, 2×1.50 m. en bevat drie bedden boven elkaar! het hoogste, het kinderbed is opgeklapt, de andere twee zijn klaar voor gebruik. Verder bevat de slaapzaal een kastje met daarachter een wastafel, handdoeken, spiegel en bekertjes spoelwater. De ruimte is heel efficient uitgerust met bekerhouders, stopcontacten, een tafeltje en een zoldertje. Het voelt een beetje als treinkamperen. Je kont niet kunnen keren, maar o wat is het knus 🙂
De slaapzakken proppen we in een hoek onder de wastafel, nadat we eerst de spullen voor de nacht eruit hebben gehaald.

De conducteur klopt beleefd, checkt de papieren en zegt koffie te zullen brengen. Fijne service, al moet de koffie wel gewoon betaald worden.
Wanneer we Amsterdam verlaten regent het. Het is nog ver naar Slovenië, het geeft nog geen betekenis aan onze vakantie.
We kijken naar buiten en vermaken ons opperbest. Borrelnoten en een biertje maken het extra gezellig. Mijn wijntje en water laat ik in de flesjes, in de hoop mijn nachtelijke wandelingen naar de wc te beperken. Het werkt, slechts één keer hoef ik in mijn katoenen negligé de gang op. De wc’ s in de trein zijn over het algemeen geen frisse ruimtes. Dat is nu niet anders. Van de douche in dezelfde cabine ga ik ook zeker geen gebruik maken. Theo ook niet. We zijn wel ingeënt tegen van alles, maar nemen geen risico’s. We gooien er wel extra deodorant tegenaan.

Tegen middernacht gaan we slapen of doen een poging. Ik ben wakker en vind dat helemaal niet erg. Het is heerlijk deinen, schommelen en schudden op de cadans van de trein. Ik geniet daarvan, wat je niet bewust doet als je slaapt. Ik dommel de nacht door en ben om half vijf klaarwakker. Theo bungelt met z’n benen buiten bed zodat ik vanaf het onderste bed tegen zijn kuiten en voeten aankijk. Het is warm. Ik draai me om zodat ik met mijn hoofd bij het raam kom te liggen, doe het schuifgordijn een stukje omhoog en kijk naar buiten waar het licht begint te worden. Tevreden lig ik zo. Een station. Stuttgart. Komt hier de Mercedes vandaan? Ik zie allemaal gebouwen met die naam erop. De tjd verstrijkt aangenaam.

Om zes uur kleden we ons toonbaar aan voordat de conducteur om kwart over zes met een ontbijtje voor de deur staat. Hij dirigeert ons voor een moment naar de gang zodat hij in een handomdraai onze bedden wegmoffelt en er een uitstekende bank voor terug laat komen. Een tafeltje installeert hij gebruiksklaar. Direct haalt hij nog koffie en thee. In het ontbijtdoosje zitten drie broodjes, margarine, jam en leverkaas. Het laatste mieteren wij vegetariërs natuurlijk weg, de rest smaakt uitstekend. Het pakje jus d’orange verdwijnt in de rugzak.

Precies op tijd stappen we rond 7.00 uur in München, een groot modern station, uit. We zien nauwelijks bewaking, dat verbaast ons toch wel. We lopen een rondje en gaan dan op een bankje zitten: mooi mensen kijken, dat verveelt nooit.
Rond 8.00 uur stappen we in de trein die ons naar Villach in Oostenrijk moet brengen, daar moeten we overstappen. We hebben gereserveerde plaatsen, die helaas naast een vrijwel blinde wand zitten met nauwelijks een stukje raam om fijn door naar buiten te kijken. Dat vraagt om een grote mate van oplossingsgerichtheid. Als we zien dat de stoelen erachter niet gereserveerd zijn halen we de reserveringskaartjes uit de hoesjes en verplaatsen die naar het houdertje bij de gewenste plaatsen. Derest van de reis zitten we uitstekend en geen haan die ernaar kraait.

Het is bewolkt, de omgeving wordt heuvelachtig en wanneer we tegen 10.00 uur de grens bij Salzburg passeren verschijnen de eerste bergen in de verte. Sneeuwtoppen zijn deels in nevelen gehuld. Het is een mooi gebied, soms kijken neer op diepe dalen met bescheiden dorpjes, andere momenten rijden we door een dal en kijken we tegen hoog oprijzende bergen op.
Heel af en toe komt nu een matig zonnetje, dat dan wel weer snel verdwijnt.
Tegen 13.00 uur stappen we in Villach over en warempel, er laten zich nu steeds grotere stukken blauw tussen de wolken zien, wat een bof! Dan rijdt de trein zeker tien minuten door een lange donkere tunnel. Waneer we daaruit komen is de lucht opnieuw zwaar van de bewolking. Blauw in de lucht? Geen vierkante centimeter…
Met dat weer rijden we Slovenië binnen.

De machinist houdt van toeteren, om de paar minuten maakt hij een bonk herrie. Voor wie? Voor wat? We komen er niet achter.
Het houdt ons ook niet meer bezig, er verandert iets om ons hen.
De lucht begint opnieuw blauw aan te lopen, de zon knokt de wolken opzij en laat zich zien en voelen.
Wie had het kunnen denken, na de hele tocht in vooral grauw weer te hebben gereden, is het zomers in Ljubljana.
We stappen uit, vinden onze vesten te warm en willen onze zonnebril…