‘Denkt mama dat ze binnenkort dood gaat of zo?’ Jongste broer maakt zich zorgen.
‘Ze vroeg me of ik haar vroeger een goede moeder heb gevonden,’ vervolgt hij. ‘Dat soort vragen stellen oudere mensen toch vaak als ze zich niet goed voelen?’

De volgende dag zie ik haar. Opgewekt begroet ze mij.
‘Mam, broertje wil weten of we de muziek al moeten uitzoeken.’ Ik praat haar bij over de rinkelende alarmbellen.
Ze moet lachen. Het klinkt een beetje verontschuldigend.

‘Ach ja, ik vroeg me ineens af of ik soms niet teveel mopperde op jullie.’
Ik sla mijn armen om haar heen. ‘Lieverd, alle ouders kennen hun momenten dat ze hun kroost wanhopig achter het behang willen plakken. En dan willen verhuizen. Tenminste dat hoop ik, anders moet ik me ook schuldig voelen.’

‘Dus jij vindt dat ik het wel goed heb gedaan?’
‘Mam, we rollen over elkaar heen om je te zien en met Kerst knokken we om je.’
‘Ja, dat is waar. Dan heb ik het waarschijnlijk niet slecht gedaan.’

Ik knuffel haar, zoals zo vaak, maar steviger sinds pap er niet meer is. Het blijft een gemis.
‘Mam, je weet het hè, niet vergeten:
Ik hou zoveel van je.’
Later app ik broertje: ‘vals alarm.
Ze had gewoon last van het perfecte oudersyndroom. Knap lastig, maar niet levensbedreigend.’