In elk team zit er zeker één; de vreemde snoeshaan. Laat het bij mij op het werk nou ook precies de enige mannelijke collega zijn. Ongetwijfeld een absurd toeval.
Terwijl wij, de vrouwen, het halfuurtje pauze gebruiken om te eten of om een boodschapje te doen, spoedt hij zich naar de kerk. Zijn brood onderweg verorberend.
Daar, aan de zijkant van het godshuis, zo vertelde hij eens, beleeft hij wonderlijke openbaringen. Alleen voor hem zichtbaar. Dag in, dag uit. Behalve in het weekend.

Zijn gedrag geeft onrust in het dorp.
Voorbijgangers passeren met een ruime boog, hem heimelijk in de gaten houdend.
Wat doet die man daar? Je ziet het ze denken.
Hij heeft ruige beharing en vriendelijke ogen die af en toe spiedend om zich heen kijken. Verward lijkt hij, schuw, zo ver van de mensenmassa. Druk tikkend op zijn mobiel, gevolgd door een glimlach of nog harder getik.

Het maakt hem lastig benaderbaar, want hoe zal hij reageren? Afstand houden voelt veiliger. Bij agressie is er geen directe hulp in de buurt.
‘Een potloodventer misschien,’ fluistert een vrouw me toe ‘zal ik de politie bellen?’
De plek leent zich er inderdaad uitstekend voor.

Dan ziet de man, mijn collega, mij en juicht: ‘Ik heb Beedrill te pakken!’
Een ongevaarlijke, aardige gek; een Pokémonvanger.
Ik steek mijn duim omhoog. Hij straalt.