Bij binnenkomst zie ik direct dat de collega druk doende is met een verslag. Een belangrijk verslag zelfs, weet ik door het programma waarin ze werkt. Dus alleen storen als het niet anders kan.

‘Je moet me helpen!
Of het even wachten kan, probeert ze nog.
Ik schud heftig mijn hoofd, de schaamte heeft me in zijn greep. Als ik het nu niet meteen oplos durf ik geen mens meer onder ogen te komen.
‘Noodsituatie. Heb je ducttape?’

‘Jazeker. Wat is er aan de hand?’ Ik heb nu haar volledige aandacht. Zij is het soort collega dat mijn gênante probleem begrijpt.
‘Nou het zit zo,’ ik buig me dichter naar haar toe, ‘door de verhuisdrukte verwaarloosde ik mijzelf, en zojuist pas zag ik in de spiegel dat er een blonde bos haar op mijn bovenlip is gegroeid. Dit is crisis! Ik moet harsen!’

Collega smult van mijn persoonlijke drama: ‘Je hebt de juiste specialist gevonden’ en haast zich om de tape te pakken.
Cliënten ruiken vermaak en verzamelen zich om ons heen.

Ik krimp in elkaar als de ducttape, huid en haar verslindend van mijn huid wordt gerukt. De tranen springen in mijn ogen, maar het is gelukt! Cliënten applaudisseren. Ik buig en bedank. Met herwonnen zelfvertrouwen en brandende bovenlip verlaat ik het lokaal. Nu op zoek naar verzachtende crème.