In Amsterdam gebeurde het. Tegenover het Centraal Station. Gehaast vanwege de stromende regen, met een door de wind dubbel geklapte paraplu, stap ik de bus in. Ik check in en zoek naar de zitplaats die er niet meer is.
Dan: ‘Mevrouw, wilt u hier zitten?’ Een leuk uitziende jongeman biedt mij zijn zitplek aan.

Ongeloof, pijn en licht opvlammende verontwaardiging schieten door mij heen. Is hij besodemieterd! Wankelend door de knock-out die hij mij bijna bezorgt, zoek ik naar woorden. Ik stamel dat het heel attent is, maar dat het niet hoeft. Hij dringt aan en ik kan niet anders dan zitten. Zijn vriendin gunt ondertussen ook iemand haar plek.

Ik bedank de jongen nogmaals voor het lieve gebaar. Toch kan ik het niet laten.
‘Zie ik er dan zo oud uit?’ piep ik er voorzichtig achteraan, want ik wil niet ondankbaar lijken.
‘U ziet er helemaal niet oud uit, maar u bent wel ouder dan ik. De regel is dat de jongere zijn plaats afstaat.’ Hij verplaatst zijn koffer in het gangpad.

‘Je hebt gelijk.’ Ik ontspan mijn billen. ‘Goede omgangsvormen.’ Mijn gekwetstheid is verdwenen. Zijn voorstel niet langer onbeschoft.
‘Ik zal je nooit, nooit meer vergeten. Je was mijn allereerste keer’ zeg ik lachend bij het hartelijke afscheid.
Fantastische mensen. Klonen vind ik ineens aantrekkelijk: honderdduizend keer. Minstens.