Ik zie haar vanaf de parkeerplek waar we hebben afgesproken op de fiets aankomen en steek mijn hand op ter begroeting. Ze zwaait ten teken dat ze me heeft gezien en rijdt me even later straal voorbij. ‘Ik kom zo’, roept ze.
Verbluft zie ik haar nog een grote ronde over het terrein fietsen voordat ze naast me stopt.

‘Waar slaat dat nou op?’ Ik tik tegen mijn voorhoofd. Onze relatie kan dat hebben.
Zij verblikt of verbloost niet.
‘Mijn kilometerteller slaat alleen hele kilometers op en dit stuk vanaf huis is 4,9 kilometer, dus zou ik 900 meter kwijt zijn. Als ik 100 meter extra fiets, wordt er 5 kilometer opgeslagen.’
Ze kijkt me triomfantelijk aan, duidelijk in haar nopjes over haar bijdehante idee.

‘Die is gek,’ reageer ik, ‘je kilometerteller deugt gewoon niet.’ Dat ontkent ze stellig.
Het is zelfs een nieuwe beweert ze. Aan haar gezicht zie ik dat geen enkel argument haar zal overtuigen. Ik steek mijn hand uit en geef haar een knipoog: ‘Gefeliciteerd, jij hebt stronteigenwijsheid een standbeeld gegeven. Maar op de terugweg? Fiets je dan eerst je huis voorbij?’
Ze slaat mijn hand weg en grijnst:
‘Inderdaad, ik moet op mijn teller passen en geef geen centimeter weg.’ Ze geeft haar stalen ros daarbij liefkozende klopjes.
Sommige mensen sporen voor geen honderd meter.