Ina Hollander

Columnist

  • Alternatief

    Zodra ik de kamer binnenloop, zet ze de tv uit. Ze knippert met haar ogen en snuit haar neus. Ze ziet mijn vragende blik.
    Een grimas trekt over haar gezicht: ‘Het gaat wel. Net een hele mooie film gezien, dat helpt tegen de scherpe randjes. Het ontspant.’

    Even zegt ze niets. ‘Maar het is zo stil in huis hè. Niet gedacht dat ik de rondslingerende rommel zou gaan missen.’ Ze zucht diep, ‘Koffie?’.
    Ze is in de kleren en naar de kapper geweest. Vooruitgang dus.
    ‘Op hoeveel zit je?’
    ‘Sinds eergisteren van zeven naar vijf films per dag. Moeilijk, maar het lukt. De eerste kijk ik om negen uur, zodat ik op tijd mijn bed uit moet. Tussendoor moet ik van mezelf een lijstje met taken afwerken.’ Ik geef haar een compliment. Zo stoer als ze is. Ze gaat het redden.

    Alsof ze mijn gedachten raadt: ‘Werken lukt door deze therapievorm ook. Ik heb geen dag verzuimd.’
    Fantastisch! Het lege-nest-syndroom de nek omgedraaid. Ik huiver als ik bedenk hoe ze eraan onderdoor had kunnen gaan.
    Een depressie is voorkomen, het huwelijk gered. Zonder dure pillen bouwt ze aan een nieuwe structuur, waarin de dagelijkse zorg voor kinderen geen rol meer speelt.

    Voor mij is het duidelijk: Netflix heeft een genezende werking. Dus hup, het basiszorgpakket in!

    Mijn eerste keer

    In Amsterdam gebeurde het. Tegenover het Centraal Station. Gehaast vanwege de stromende regen, met een door de wind dubbel geklapte paraplu, stap ik de bus in. Ik check in en zoek naar de zitplaats die er niet meer is.
    Dan: ‘Mevrouw, wilt u hier zitten?’ Een leuk uitziende jongeman biedt mij zijn zitplek aan.

    Ongeloof, pijn en licht opvlammende verontwaardiging schieten door mij heen. Is hij besodemieterd! Wankelend door de knock-out die hij mij bijna bezorgt, zoek ik naar woorden. Ik stamel dat het heel attent is, maar dat het niet hoeft. Hij dringt aan en ik kan niet anders dan zitten. Zijn vriendin gunt ondertussen ook iemand haar plek.

    Ik bedank de jongen nogmaals voor het lieve gebaar. Toch kan ik het niet laten.
    ‘Zie ik er dan zo oud uit?’ piep ik er voorzichtig achteraan, want ik wil niet ondankbaar lijken.
    ‘U ziet er helemaal niet oud uit, maar u bent wel ouder dan ik. De regel is dat de jongere zijn plaats afstaat.’ Hij verplaatst zijn koffer in het gangpad.

    ‘Je hebt gelijk.’ Ik ontspan mijn billen. ‘Goede omgangsvormen.’ Mijn gekwetstheid is verdwenen. Zijn voorstel niet langer onbeschoft.
    ‘Ik zal je nooit, nooit meer vergeten. Je was mijn allereerste keer’ zeg ik lachend bij het hartelijke afscheid.
    Fantastische mensen. Klonen vind ik ineens aantrekkelijk: honderdduizend keer. Minstens.

    Wat ik zeggen wil

    ‘Denkt mama dat ze binnenkort dood gaat of zo?’ Jongste broer maakt zich zorgen.
    ‘Ze vroeg me of ik haar vroeger een goede moeder heb gevonden,’ vervolgt hij. ‘Dat soort vragen stellen oudere mensen toch vaak als ze zich niet goed voelen?’

    De volgende dag zie ik haar. Opgewekt begroet ze mij.
    ‘Mam, broertje wil weten of we de muziek al moeten uitzoeken.’ Ik praat haar bij over de rinkelende alarmbellen.
    Ze moet lachen. Het klinkt een beetje verontschuldigend.

    ‘Ach ja, ik vroeg me ineens af of ik soms niet teveel mopperde op jullie.’
    Ik sla mijn armen om haar heen. ‘Lieverd, alle ouders kennen hun momenten dat ze hun kroost wanhopig achter het behang willen plakken. En dan willen verhuizen. Tenminste dat hoop ik, anders moet ik me ook schuldig voelen.’

    ‘Dus jij vindt dat ik het wel goed heb gedaan?’
    ‘Mam, we rollen over elkaar heen om je te zien en met Kerst knokken we om je.’
    ‘Ja, dat is waar. Dan heb ik het waarschijnlijk niet slecht gedaan.’

    Ik knuffel haar, zoals zo vaak, maar steviger sinds pap er niet meer is. Het blijft een gemis.
    ‘Mam, je weet het hè, niet vergeten:
    Ik hou zoveel van je.’
    Later app ik broertje: ‘vals alarm.
    Ze had gewoon last van het perfecte oudersyndroom. Knap lastig, maar niet levensbedreigend.’

    Irritant

    ‘Dit is echt iets voor jou’. Nonchalant gooit mijn man de krant naar me toe. Juist als we gaan eten, dus moet het wel urgent zijn. Zijn valse grijns belooft niet veel goeds. ‘De meest irritante vragen van vrouwen aan mannen’ luidt de kop van het artikel. Mijn NHD pleegt verraad, is het eerste wat ik denk. Ik lees dat mijn ‘Wat denk je?’ door mannen de meest irritante typische vrouwenvraag gevonden wordt. Ook met ‘Hou je nog van me’ en ‘Vind je me nog aantrekkelijk’ scoor ik hoog op de oestrogeenladder.

    Verbijsterd kijk ik hem aan: ‘Wil je dan geen echte vrouw?’ Ik pers er een paar krokodillentranen uit en schuif mijn bord opzij. It’s showtime. ‘Als iemand heel belangrijk voor je is wil je toch graag weten waar de ander aan denkt en moeite voor hem doen? Dat is toch liefde? Dat is toch mooi?’
    ‘Ja, maar je kan ook overdrijven. Zullen we gaan eten?’ Hij heeft hoorbaar spijt dat hij het me heeft laten lezen. Zijn bloemkoolliefde kan niet wachten.

    ’s Avonds op de bank denk ik erover na: belachelijk dat ik als vrouw geen vrouwelijke vragen zou mogen stellen. Dan wordt het toch vreselijk saai!
    ‘Is er iets?’ informeert mijn man.
    Pfff, typische irritante mannenvraag. ‘Nee, niks, hoezo?’ Zuchtend sla ik een bladzijde van de Happiness om.

    Opgeruimd

    Gehaast loop ik nog een rondje door het huis. Bedden netjes opgemaakt? Alle toiletartikelen uit het zicht? Geen rondslingerende was? Tandpastakwijl weggepoetst? Oké, naar beneden.

    Ook hier is alles goed gestofzuigd. De kussens op de bank liggen er verfrommeld bij. Ik klop ze op en zie ondertussen een stel schoenen onder de salontafel staan. Ik trek een kast open en gooi ze erin. Opgeruimd.
    De persoonlijke foto’s en prullen hoef ik niet na te lopen, die zijn al eerder verstopt voor vreemde ogen. Kijkers kunnen zich daardoor ongemakkelijk voelen is ons ingeprent.
    Ik neem niet de moeite ze steeds terug te zetten of te hangen. Het is de eerste stap in het afscheid van ons fijne huis.

    Te koop. Om te verhuizen naar een woning waar nog veel moet gebeuren om het een thuis te laten worden.
    ‘Komt helemaal goed’ zegt Lief die zin heeft in de nieuwe stek. Ik ook, geloof ik.

    Ik inspecteer het bijna griezelig lege aanrecht. Kijkers willen ruimte zien. Ze kunnen het krijgen. Deurtjes van kasten kunnen bijna niet meer dicht door alles wat ik er in prop. De Kijker is Koning. Ik zijn dienstmeid.
    Ik pak mijn jas, doe en passant de wc-bril naar beneden en verlaat ons domein. De makelaar neemt het huis over.
    Raar.
    Ik ben het komende uur dakloos.

    Kilometervreter

    Ik zie haar vanaf de parkeerplek waar we hebben afgesproken op de fiets aankomen en steek mijn hand op ter begroeting. Ze zwaait ten teken dat ze me heeft gezien en rijdt me even later straal voorbij. ‘Ik kom zo’, roept ze.
    Verbluft zie ik haar nog een grote ronde over het terrein fietsen voordat ze naast me stopt.

    ‘Waar slaat dat nou op?’ Ik tik tegen mijn voorhoofd. Onze relatie kan dat hebben.
    Zij verblikt of verbloost niet.
    ‘Mijn kilometerteller slaat alleen hele kilometers op en dit stuk vanaf huis is 4,9 kilometer, dus zou ik 900 meter kwijt zijn. Als ik 100 meter extra fiets, wordt er 5 kilometer opgeslagen.’
    Ze kijkt me triomfantelijk aan, duidelijk in haar nopjes over haar bijdehante idee.

    ‘Die is gek,’ reageer ik, ‘je kilometerteller deugt gewoon niet.’ Dat ontkent ze stellig.
    Het is zelfs een nieuwe beweert ze. Aan haar gezicht zie ik dat geen enkel argument haar zal overtuigen. Ik steek mijn hand uit en geef haar een knipoog: ‘Gefeliciteerd, jij hebt stronteigenwijsheid een standbeeld gegeven. Maar op de terugweg? Fiets je dan eerst je huis voorbij?’
    Ze slaat mijn hand weg en grijnst:
    ‘Inderdaad, ik moet op mijn teller passen en geef geen centimeter weg.’ Ze geeft haar stalen ros daarbij liefkozende klopjes.
    Sommige mensen sporen voor geen honderd meter.

    Gratis consult

    Ik zie in de agenda staan dat ik over twee dagen een controle afspraak bij de orthopeed heb. Dat kost me gauw een halve middag. Het scenario heb ik al voor me liggen:

    ‘Goedemiddag, mevrouw, gaat u zitten.’
    Terwijl ik dat doe kijkt de orthopeed op zijn computerscherm. ‘Pijn en beperkingen door letsel in het gebied van de hamstrings.’
    Hij stopt met voorlezen: ‘Bent u naar een fysiotherapeut geweest?’
    Ik knik braaf en zeg dat ik daar vijf keer ben geweest. ‘Die merkte op dat de kruisbanden het herstel vertraagden.’
    De arts negeert het en vraagt me hoe het nu gaat.

    ‘Prima, drie weken geleden werd een tochtje door het bos een strompelervaring, maar vorige week ging een duin- en strandwandeling uitstekend. Fietsen gaat als de gesmeerde pedalen en de trap neem ik weer met twee, drie treden tegelijk.’
    De arts leunt licht achterover.
    ‘Dan lijkt het me niet nodig om het nader te bekijken.’
    ‘Neuh, mij ook niet.’ Al had ik voor de zekerheid wel een nietszeggende degelijke slip aangetrokken.
    We staan op. Hij geeft me een hand en ik bedank hem vriendelijk. Ongetwijfeld gaat hij nu de helse administratie doen die dit consult met zich meebrengt.

    Precies zo verwacht ik dat het overmorgen zal gaan, dus bel ik af. Efficiënte zorg is mij op het lijf geschreven.

    Lef

    Opeens vallen mijn handen stil tijdens het aantrekken van de wandelsok aan mijn rechtervoet. Op de sok staat een duidelijke L.
    Fout dus. Het moet een sok met een R zijn.

    Ik kom overeind met een gegipste linkerenkel en pijnlijke, overbelaste hamstrings in het rechterbeen. Opgelopen tijdens het schaatsen.
    Dan realiseer ik me dat ik de trap op wil strompelen vanwege een letter op een sok! Hoewel niemand me ziet, schaam ik me kapot. Al mijn sokken trek ik willekeurig aan, maar nu zou ik mij door zogenaamde wandelsokken de les laten lezen? Sokken die de dienst gaan uitmaken? Dacht het niet.
    Waar is de tijd gebleven dat ik zonder na te denken met sokken aan mijn handen fietste, omdat ik geen wanten kon vinden?
    Mijn neus publiekelijk snoot in herenzakdoeken omdat de neuslapjes voor dames achterlijk klein waren?

    Het meest dwarse wat ik tegenwoordig nog doe is brood eten van een dinerbord zodat er minder hagelslag naast valt. Ik dreig aangepast en voorspelbaar te worden! Beangstigend, dat wil ik niet. Zonder dat iemand mij dwingt, beperk ik mijn vrijheid. Dat moet veranderen. Eigenwijs en gek blijven doen! Met een lange neus naar de fabrikant trek ik de sok met de L verder aan. Het voelt heerlijk.
    Trots bekijk ik het resultaat aan mijn lechtervoet. 1-0 voor mij.

    Uitgeklede waarheid

    Daar stond ik in mijn panty op het perron: rokje vergeten aan te doen! Die blikken van langslopende mensen en dan geen kant op kunnen. Vreselijk. De gêne die ik voelde valt met geen toetsenbord vast te leggen.
    Verward werd ik wakker. Nog steeds zonder rokje.

    Beleefde ik in die droom de onbewuste angst dat ik eens iets alledaags vergeet? Want ja, soms ben ik wat verstrooid doordat mijn hoofd altijd vol gedachten is.
    Nieuwsgierig en een beetje ongerust zoek ik op een site die helpt dromen te verklaren. Uitgelegd wordt dat de panty laat zien dat ik met twee benen op de grond sta en me gesteund voel door de mensen om me heen.
    Welke vrouw doet nu nog een broek aan?
    Het onbewuste laat mij volgens de site geen rokje aantrekken omdat het me blijkbaar niet kan schelen welke indruk ik op anderen maak. Had ik maar een rok moeten aantrekken. Tsss

    Trouwens, het station verwijst naar vertraging van plannen. Wat sneu. Een steunpanty voor de spoorwegen!
    Zoekend naar een verklaring bedenk ik dat twee dochters kort na elkaar verhuisden. Eigen plannen werden tijdelijk ingeruild voor verfkwasten en emmertjes sop.
    Maar om daar nou zo paniekerig over te dromen, onzin. De betekenis is natuurlijk: ik moet zonder uitstel een nieuwe rok kopen! De panty heb ik al.

    Mevrouw Holleeder

    ‘Mevrouw Holleeder, deze is voor u.’
    Zonder blikken of blozen overhandigt het winkelmeisje mij het pakje.
    ‘Je mag Hollander zeggen, hoor’ en ik wijs naar mijn goed gespelde naam op het etiket. Verschrikt slaat het meisje een hand voor haar mond: ‘Sorry, sorry! Ik had beter moeten kijken.’

    ‘Hindert niet,’ zeg ik,’ als er maar geen mensen zijn die vermoeden dat ik familie ben van…’ Omzichtig kijk ik de winkel rond die tegen sluitingstijd vrijwel leeg is. ‘Ik ben niet zijn zus!’ roep ik.
    ‘Je weet het nooit’ fluister ik vervolgens tegen het inmiddels rood aangelopen meisje achter de kassa. ‘Er kan zomaar een gek zijn die denkt met het neermaaien van mij de hoofdprijs binnen te halen.’

    ‘Het ging echt per ongeluk’ stamelt het meisje met bibberende stem, zich waarschijnlijk realiserend welke gevaarlijke situatie mogelijk is ontstaan.
    ‘Natuurlijk, maar in de onderwereld is een fout zo gemaakt. Het zijn trouwens niet eens fouten, ze hebben het altijd over vergissingen. En, kijk zelf, mijn neus helpt ook niet echt.’ Het meisje bestrijdt dat meteen:’Nee, echt niet.’
    ‘Maak je niet druk, we hebben ontstellend veel geluk gehad.’ Een aarzelend lachje breekt door. Terwijl ik naar de uitgang loop knipoog ik: ‘Mijn broer zal dit een prachtverhaal vinden!’ Het arme kind verstijft en vergeet mij een prettige dag toe te wensen.

    Pagina 1 of 2

    Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén